
About this episode
Interactive timestamps
Jump to segmentGet every episode summarized
Each time Podcast Patapoe publishes, we email you a written briefing from the transcript — the topics, who appeared, and any specific claims, with the ad reads skipped.
Email me new episodesFree for 3 shows. No card needed.
Transcript ready
606 searchable segments. Every word is indexed and playable.
Full transcript
Podcast Patapoe — 20260307-1600. Machine-transcribed; use the interactive transcript above to jump the player to any line.
0:00O, ja, ja, ja! BlTuig je handen, heb beschanden! Blue tuition je handen, heb beschanden! Blue tuition je handen, heb beschanden! Blue tuition je handen, heb beschanden! Blue tuition flowing mo fueron onrespulfieters, verカ Hyper auze stad, on display immu Het estoshe de olivsamen is voor M 활동. Allers profiteers, hechijt ons een stap, allers profiteers, hechijt ons een stap. Kijk in jouw medinale ala.
1:02In force maar ook die rol mee. Of de bieke meenjaansheid. Ik ben ijzen jouw medin. Kijk in jouw medinale ala. Je maai maar ook die rol mee. Ik ben ijzen jouw medin. Ik ben ijzen jouw medin. Ik ben ijzen jouw medin. Je maai maar ook, ik ben ijzen jouw medin. Ik ben ijzen Umo. Kijk in jouw medin.
2:28U gaat luisteren naar de bronzenruiter, horspel voor Mannestem en Notewer naar de gelijknaamige Petersburgse vertelling van Alexander Pushkin. Vertaling en Mannestem, Hans-Boland, vormgeving en Notewer Rick Saal, techniek Frans Meier. Het is 1824, het is november, het is Pockeweer in Petersburg. Vlak aan de wachtervoestenij stond, zijn geest vloog Frank en vreemd, vergeek eind.
3:36Aan zijn voeten elde de wijde wilde stron voorbij, waarop een eensam hulk gezijlde en herendair amper beschut, doen de arme finse hut op tussen zon en slup en hulzen. Het zonde was er zonder nut in mist verporten voor de popsel, die rondom raast doen. En hij dacht, hier zal een stapt als bouwwerk komen tegen de zwet, neemt u een acht buurman, ik zal uw hoog moeten tomen. Hier laat ons de natuur hun voet Europa waarts aan zich. Hier moet een raam geopend. Als hier aan de oefen onder vreemde vlach zijn anchor uit wil werpen,
4:37dan mag als onze gast wets aan de sforaan. Een eeuw verstreen, verrezen was hun neder nacht sterren, in wat duister en vocht was, rimpen en ras, stond nu ons at in trotsse luisteren. De lage oefens waar de finstief kind van de natuur zijn net een voor een onzekerschraal gewin op ruigen zeeplacht uit te zetten. Pruisen van leven, zidaar, duurusen, dicht tegen elkaar van ranketoren en palezen. Schepen komen van overal ter wereld, wil hier aan de walt de rijkdommen al hoge reizen, de neva gaat dans in grannet over het waterhangenbruggen.
5:47En donker groene tuinen ziet men al om op de eiland vruggen. Het oude moscal is vervat, naast deze hoofdstad jongstenjaren, als naast de jongen bruit, de zaren, de wereldwe, die burp voor draaien. Ik heb je lief, peters, kreatie. Ik heb je lief, jouw streng gradie, de neva die gebied en vliegt binnen haar ovurs van grannet, geziert met giet, ijzeren heggen. Jouw nachten, die het blanke licht van maanloos geen zul laten lekken over het boek dat voeren licht, terwijl ik zonder lamp kan schrijven en lege straten ruizen leven in slaap, opblinken en de nalt boven de rijkstwerf straat, dan talt de donker niet, want ier het gloren van avond gauw, de lucht verlaat, komt ochtend licht de nacht als toeren.
7:05Die binnen een half uur vergaat. Ik heb je winterlief, de vriegde friskalbelocht, beweging los, rietjes langs de rivier persleden, meisjes die plozen als een roze, de drukken bal sinds getersalen, een latenvreige zellend dronk, wanneer in schuimende bokalen de punsch sist met een ploven. Je marsveld heb ik lief het gisteren van al dit militaire vertoon, het froeliggelijk vormig schoon van voetvolk en cavalleristen, de krechts van een die in de wind hun rankereien wiegen laten, de moezen met hun kogel gaten in broes dat blikkert en verblint. Ik heb je lief soldaten hoofdstapt, wanneer je festing rokt en broelt, als oorlog zegen ons beloofd dat het vaderland geen knechtschap doet, of als de noertse keizerin haar huis een zon heeft mogen waren.
8:13Of als de neefa het begin van lentevoelt en blij van zin blauwijs meevuurt op woesten waren, prokteeters dat rechtje postuur om wankelbaar als Rusland te zelven dat de beteugelde natuur een graf kui voor haar strijd bijl delven. Laat het verleden pitterzoer in finselgoelven niet meer stoken door beters dromen niet meer spoken op dat hij rust in eeuwigheid. Het was een friselijke tijd, fris in de geest nog voertestellen. Daarvan mijn vrienden did ik nu het volgende verhaal vertellen, want trouw verhaal vertel ik u.
9:20De neefa gisselde de walt, luidruchtig met schuinen kopen, zoals m'n bij een koertzaamval kan ik een kroeklinen schoppen. De avondviel, het werd al laat, een gure regens dring de klat tegen de raam en verbieten maar hoe voede duit. Nu dan kwam van visite thuis, een jonge man, je vergeni, want zo zal hij heten, de held, die namlicht goed in het gehoor en kon het steeds goed met mijn pen vinden in het verleden. Een achternaam heb ik vermeerden schoon die mag schitteren misschien in roemruchten voorbij dingen dankzij de pen van de ram zien.
10:25Familioverleveringen zijn nu verbleekt en onvermeld zal hij dus blijven. Onze held woont in kolomna, werkt als boven en schoot te schiet, denkt niet aan doden verwanten en laat zonder spijt die tijd aan de vergietalheid. Je vgeni dus van thuis, hij sprijde zijn jas te drogen ginappet, waar hij vergiefs de slaap verbijde, want de zier was zijn brein bezet, waarmee, wat spiel zult door zijn hoofd. Zijn armoe, dat hij voor eer en zelfstandigheid moest sloven, dat hij wel met dat meer verstand en wat meer geld door god daar boven had willen zijn gezegend, want soms liep het leven, hoe verrozen, en zo zeer voor polepozen, als wel voor beforst die geen zier ooit uitvoeren.
11:30Afhan, twee jaar pass was hij indienst. En echt heel naar was dit weer, nog steeds dichtere vier, het werd tijd meer tijd niet gierden, dat meneer brug om de montieren en dacht of twee, zelfs drie misschien kon heb, paraschaan, dan niet zin. Je vgeni moest hier diep van zuchten en als een dichter zuesde hei. Wat kreezeen!
12:31Trouwen, waarom niet, dat wij, het was juist niet niets, maar veel te duchten, nee, hij was immers jong en sterk en heel niet vies van flink hartwerk. Hij vond wel ergens een beschijden stukje, waar zij en hij te vreeen een simpel leven komen leiden. Over een jaar of twee kan ik een lapje groent versieren. Paraschaan zal het huis bestieren, het grootste opvoeren. Zo met haar tot aan het einde meenerdagen te leven, hangt in hand. Dan dragen de klein kinderen onze baar. Zo dronden hij en droefde moeder, was het om deze nacht. Hij wou dat aan de grauwe blinde voeden van wint en regen, maar gauw en einde kwam.
13:32Dan slotten sluiten zijn mogen zich terwijl het rauwere geduisterd buiten al wekt voertachlich. Vaan en eiun. En voor omheil. De razernij, waarmee de zee gaat besprongen, bleek door de nevaar niet betonnen. Zij was de uitputtingen bij. Al vroeg was op de bal in dromen het volk nieuwsgierigzaam gestroomt. Het zag niet langer beton te dolgeven op spatten en klemmen. Maar hier hun woede was ook goed, zouden zij voor de storm bezwiken. En bij het zee gaat moeten weken. Een kust eigend werd overstoot. En nog een, ten proj aan de duwste geweld van de de nevaar. En ziet er al zijn hexenbrij. Zoo! Kokte! Blat zo'n doel! Storf de zee zich op de stad!
14:33Lieg een verlaten lacht deze als bij toeverslag. Terwijl zij zich gedwoonza, de grachten, vrij spel op haar strafen. En in haar superenstelaten. Drijvend pitrokoel is geleefend tritom. Jouw zee kijk. Belicht! Atak! Als die van kwamen de snodehoofen naar de raam. Die door schepjes werden gekraakt. Want alles was op 30 geraakt. De verantjes met vochtsluit. De restanten van boeren stiljes. Daken, spanten, winkelvoerraad. Het vallig sterk armen laden. In de voet om de richten broeven. Vijgespoelde rafzerken.
15:36En het vol pacht af. Gokte vast vergrom. Dit was zijn straf. Wie zonder tak en voeten voeten. De voeten let zich verloren. In dat jaar was Alexander Ruslantzaar. De glorie reken sprak meer slaten. De mensen toen van het bal kon. Gokte elementen zijn de machtig voortzaren. Hij was af het onheil niergezeten en verzonken in droefgepeids.
16:40Elke kleimenspaartekken. En elke boulevaar een brede strond. Uit het verpronken terij. Reest het paleis op. Scheen een eilantrot. Tricht. En alleen. Het zaarspraak. En een weile later verscheen op het woeste water zijn generaas. Die volk in noot van angst verlamde drinktelingen. Gevangen in hun huizen. Van de verpronken te doen. Het Peter'splein. De linker zijden een staatig nieuw huis. Met aan beide kanten van het bordes. Volzvier. Een klauw van Marmer. Hoge heven een leven. Twee wachters. Die tot de leven lekend te komen. Op zo'n dieren zat schrijlingsbloks hoogt. Met de armen gekruis. Roerloos. Lijkpleen.
17:42Mijn armen gingen. Die niet ongerust was om zichzelf. De govenstegen tot aan zijn zolen. Buit belust. Maar hij was zich van niets bewust. Niet van de geestelende regen op zijn gezicht. Van het cabal niet van de winter die aan de halking met zijn hoed. Met in zijn ogen de vanhoop. En zijn blikken straks slecht op één punt gericht. Waar vrak houdt huizen hoog werd op gespogen uit boze dipten. Gotto gott en weer in dipten werd bedoven. Want daar hovee na wei die goven. Stond aan de baan een schamelkrot. Waar van de schutting gammeltongen honderen taille veel gebouwd. Van krot. Varien een fiutje vonden. Met dochterlief je vergenisdroom.
18:42Parascha. Of was ook het leven niet anders dan een spotternee. Onze slechts tot gottsvermaak gegeven. En gingen het eeuwen als dromen. Voet mij. MUZIEK Zijn geest als door magief verduisterd zijn lichaam aan de leeuw gekluisterd. Sit daar je gingen. Met alleen maar wat, wat om zich heen. En met zijn ene armen naar voren zich van hem afwendend. En trots als een onwankelbare toeren.
19:44Laar de rivien had rack gezworen. Dat valt op zijn bronzomerus. MUZIEK MUZIEK MUZIEK
20:58Maar zie, voldaan van de vervoesting van haar brute woede week de niva en niet in de steek. MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK Het waterzakte en de straten kwamen weer vrij. Je vgenus hoek ze met een zwaar bedruktgemoed
22:01voldaan, voldaan in alle staten naar de rivier. Maar deze wordt nog amper minder fel nog kruivende schuinkippen. Of opgedenkt zijn nog haar zingen en nog zinkt een ziedend vuur in haar. Het snuvenenbrissen zijn nog niet verstond. Een pakt dat van het slacht wel komt. MUZIEK Je vd is buurt om tekenpotje. Dit minthij is een winnetlootje. Hij zoekt en vindt de eigenaar die hem graag meeneemt op zijn schuid en hem overzet voor een paar duiten niet tegen standen het gevaar. MUZIEK Lang voorten de sluip met de verbogen hoven gestuurd met vaste hand door twee vermietelen bemoed en tien op tien bellkams voor zwogen. Dan sloven we de overkant bereikt. De armen jongen kenden de weg waar langs hij rende, rende en opkiek.
23:02Dit herkend heent. Hij is ontzettend van wat hij ziet en van het orkan gedeld gedagende gauw zijn het puin rondom. Haast alle wooningjes zijn kroomgezakt kapot of weggeslagen een lijkenliggen ongeteld als het terrein van strait geloot. MUZIEK Je hebt geen ein te zonder gedachten en op zijn allerlaatste krachten zijn eigen nook loopt de gemoet dat niet lang meer geheim zal blijven als was het een verzekeld schrijven waarvan men nog geen zin toevoet. Weldraag heeft heer de laatste straat in een huis in Achter zich gelaten. Daar is de bijn.
24:03Maar... hij heeft het staan om op zijn schreden weer te keren. Kijk, heel loopt door. Kijk het weer om. Hier heeft het stoopje toch gestaan. Daar is de doel en hier stond ergens de poort. Kom dat er negen wat meer iets te zien is. En geloft nog slecht het echte... luid op bratei en loopt een cirkelvloed. Dan slaat hij zich op plaatseling hard voor zijn hoofd en schater lacht. MUZIEK MUZIEK Het thuis door taalde over de opgewonden stad waar lang de slaap niet werd gewad en men onder elkaar
25:04verhalde van het gebeurde. En weer straalde boven de stille hoofdstad door een bleek niet woekende maart van zo'n nervenstrofenmieren spoen van de voorkeren voor porgen onder het boeper die leek het gewaat. Het ritme werd hervat op straat kon me meer gaan staan en waren de mensen weer net als altijd gehuult in onvoorschilligheid. Door slaap verkwikte amptenaren op weg naar hun kantoren omkoopmansvolk moest en vonderkniezen van sinds de laatste slink te doen op draaien voor bedrijf verliezen hun teller al weer hals gereed men ruimde op en de poët
26:05gewostof graf om appelder geholpen zo'n in ons daarvoor lukken oboen riet zwanden nie waar en het leek tch de kie de kie de kie de kie de kie de kie Arme, je gij niet daarin tegen we in de war was zijn verstand en ziek zijn ziel hij bleek niet tegen het gruwelavond bestaan nog was de ego van de krachten de elementen niet gesloeg en bleef hem volgen zonder woord
27:06zwerfij zo rond met de gedachten van die zich in een angstroon bouwt er ging een week voorbij een man een arme dichter nam zijn pover verlaten huvertrek je over toen de termijn verstreken was
28:06zonder zijn bulletjes te halen liep m'n je genie die alras vervreemde overdacht te dwalen snacht sliep hij op de k hij had de beten die m'n over had aan rafels voldig een versleten waarin de klieren die hij droeg hij werd met stenen nagezeten doorplagen nooit schienheid te weten waarof hij liep en tickels slug hem een kochziers weet waarin vroeg zich af of hij iets van voelde vertoffd door wat luid in hem voelde zo sliekte zich zijn leven van ellende voel geen beest geen man niet niet tap niet op de arden leeg hij te hopen een voel van de schimmen daar zo
29:23eindslagheid te slapen op de nievaakade het hoien miser m'n rade het rasgenaken najaar stij tegen de gladekade steenen sloegen en morden over die hun smikeling geleken nu die de rechten niet zijn oerwillen en het regende een jammerklacht ging op de wind die door de nacht ver ver ver ver ver ver de stakker werd in dit sommer ontheil wakker een schrok sproep want voetseling ontwakte de herinnering in hem meschert aan het geberden helipiging jacht maar insclaps stond heest het bangen ogen speurdern verwilderd hij bevond zich
30:24bij het huis met de pilaren en de twee levendachters schier bezielt als op zijn levend waren jven zijn in klauw hoog en vier en door de zwarte nacht omgeven toerende met een armgeven en een recht op zijn omheinde rots daft op zijn brunzen de kuf die biefde zijn gedachten werden ontstund bijna klaar de plaatserken hij hier waar de vroepgolf met zijn rof die krachten goud had en hij zag het plein de leven hem ook die met zijn bronsen door tuisternis ongeven Throuwloos op reis, hem die niet afwek van zijn noodlotig streven en deze zes dat bouwen niet.
31:28De natte twinkt angstad voor dit lezen. Je niet staat in zijn blik gegett. Kracht staat in zijn figuur te lezen. Zijn paard verraten woon. Een drift trots russ. Waar ras je heen? Waar komen jouw steigeren de hoven neer? Zo ook heb jij meesteren hier over het lot. Met stalen toemen russland tot steigeren gebracht. De afgrond onderwoord vracht. TOET TOET De stumper liet met wilde blikken op het gelade van de despoot naar wie een halvrons zich moet schicken. Dwaas om het voedstuking.
32:30Erzo goed iets in zijn porst. En met zijn wanneer tegen de kou de traal is stangen, zag heils door een misthortijn, een vlam, zuluide zijn hart, en zijn bloed koekten, trots niet genaken, ontstak het afgotsbeeld in hem een grauwe gram, met vloeistros stem op elkaar geklemde kaken, zijn vuisten band, en als onder duufels betwelmen, zei, zei, onder duumistroorl, oh, patie maar op! En rendeweg al zo verkocht, en ogenblik had het geleden op hem een de schrikkelijke zaar, landen van tournaat, en gekeken, het plein was uitgestorven,
33:31maar toen hij zich uit de voepen maakte, hoorde hij achter zich, als krakte dörnder, zware hoven op het drunende wegrek, in gulp en in arm in de lucht gestoken, bij belieke maan, onafgebroeken, jacht en de bronzon ruit erop, en die dood in stief en sluppen durft zijn vlucht ging door te staken, en slacht er niet in, arm en de vaak, de bronzon ruit erop, kreit erhak, de oefen met een helstgrat! En zeer dieen,
34:32wanneer zijn wegen, hoevelle voeten langs dat plein, kwam er verwaring over zijn gezicht, snel drukte hij dan tegen zijn hart en hand, was of de pijn zo werd verzacht, hij werd verlegen, kijk naar de grond, en om zijn pet volgaten af, en die permet een pooh omheen. MUZIEK
35:42Er ligt vlak, buiten de kust een eilandje, soms meer de visserk, was huiswaartskeerd tegen de schemer, hier zijn schuit en bereiter zijn invalgmaar, soms ook bezoek en amptenaren, wanneer zij somdag spelen waren, het leeg en eiland. Het is kou, er groeit geen graspriege. Hier brakte de voet, tal zoveel zich vermakten met een stuk spinggoed, een alt kort uit op het strand, waar het bleef steken als wartstruven, en trok het vlot zo draadwinter was geweken, het was leeg, maar een kou van die garen voelt, met de dorpen. Laatst de haven van onze twaas, hij werd terstond in Godzaam 123 gebegraven. MUZIEK
36:43MUZIEK MUZIEK MUZIEK
38:06MUZIEK MUZIEK MUZIEK
39:22MUZIEK MUZIEK MUZIEK
40:31MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
41:52MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
43:14MUZIEK MUZIEK MUZIEK
44:23MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
45:38MUZIEK MUZIEK MUZIEK
46:54MUZIEK MUZIEK MUZIEK
47:57MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
49:12MUZIEK MUZIEK MUZIEK
50:21MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
51:25MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
52:46MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
53:48MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
55:10MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
56:30MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
57:34MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
58:55MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK MUZIEK
59:59MUZIEK
More episodes
